“Monarchie verloren, rampspoed geboren”

In de Volkskrant stond een artikel waarin Zijderveld en van Ostaijen zich met opgeheven vinger mengen in het debat waarmee de monarchie ter discussie wordt gesteld.

De eerste vinger die zij heffen betreft het staatsbestel waarin, zo stellen zij, nog al eens vergeten wordt dat er een verschil is tussen’regering’ en ‘kabinet’. De regering, zo leggen zij uit, is de verzameling ministers onder leiding van de koning en het kabinet wordt gevormd door de ministers onder voorzitterschap van de minister-president. Het zijn hooggeleerde heren die dit beweren maar het is in strijd met de werkelijkheid. De werkelijkheid is dat er in Nederland geen precieze afbakening is tussen de termen ‘regering’, ‘ministerraad’ en ‘kabinet’. In het dagelijkse en journalistieke taalgebruik lopen deze begrippen ‘kabinet’ en ‘regering’ dan ook door elkaar. Dit is o.a. het gevolg van de schimmige wijze waarop het staatsbestel in Nederland, d.w.z. de Nederlandse monarchie, in elkaar zit. Impliciet formuleren zij deze vaagheid wanneer zij stellen dat: ‘de invloed van de koning zo sterk is als de zwakte van de premier’. Al met al een aardig argument om voor een republiek te pleiten en de souvereiniteit van Nederland weer te leggen waar deze in een democratie thuishoort: bij de Staten-Generaal. Dat was eeuwenlang het geval en er zijn heel wat argumenten te bedenken om dit weer te herstellen. Daar gaat het de schrijvers van dit stuk in de Volkskrant uiteraard niet om.

Zij proberen een pleidooi te houden voor de monarchie vooral omdat zij zich zorgen maken over het gezag in Nederland en stellen: ‘door de koning uit de regering te verwijderen ontneemt men aan dit instituut de legitieme macht die door de koning wordt gerepresenteerd’. Prima, zou ik zeggen. Maar nee, de heren zouden natuurlijk geen socioloog zijn wanneer zij hierbij niet met hun grote voorganger Weber op de proppen kwamen en daarbij zijn analyse over invloed, macht en gezag proberen te specificeren in de richting van de monarchie. Zij wringen zich in een paar sociologische bochten waarbij zij vergeten te vermelden dat volgens Weber de sociale ongelijkheid waar dit moois mee samenhangt op zichzelf niet legitiem is.

De legitimiteit van de machtsuitoefening heeft in een democratie te maken met de mate waarin de bevolking deelneemt aan de politieke besluitvorming. En juist daar hebben Zijderveld en Ostaijen grote problemen mee. Hun betoog ademt een anti-agonistisch sentiment. Zij hebben, zo blijkt uit het artikel, weinig op met politiek wanneer zij misprijzend stellen dat: ‘in de afgelopen decennia de politieke arena vooral een arena van machtsstrijd geworden is’. Je vraagt af: wat is daar mis mee? Door een aantal ontwikkelingen is volgens hen in deze arena ook ‘het gezag -dus ook de legitieme macht- navenant afgebrokkeld’. Men lamenteert in het artikel vrolijk verder. Zo moet de ‘mediacratie’ het ontgelden waarbij ‘politici zich in one-liners bekwamen’. Heel erg is ook dat ’traditie in de Treveszaal en het parlement natuurlijk geen enkel rol meer speelt’, etc, etc.

De schrijvers verlangen, zo valt uit het artikel te concluderen, vooral naar de goede oude tijd. Toen monarchie nog heel gewoon was. U weet wel, die mooie tijd, toen Bernhard nog leefde.

Peter Posthumus

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.