Lezing nieuwjaarsreceptie Thomas von der Dunk

Geachte aanwezigen,

Het lijkt mij gepast om mijn terugblik op het koninklijk reilen en zeilen gedurende het afgelopen jaar te beginnen met een welgemeend blijk van innig medeleven met de marechaussee. Je zult maar voor een spannende carrière getekend hebben en dan eindigen bij de Koninklijke Stallen. Ja, daar zijn de arbeidsvoorwaarden zo beroerd dat, omdat ze van hun salaris kennelijk geen droge boterham meer konden betalen, tientallen leden zich genoodzaakt zagen zich uit de plaatselijke snoepautomaat te voeden. In de tijd van Marie Antoinette heette het van koninklijke zijde nog dat als brood te duur was, men gewoon maar op gebakjes moest overgaan, maar zelfs dát kan er in huize Oranje voor de eigen lijfwachten kennelijk niet meer af. Kauwgomballen, die voortdurend van kleur veranderen, net als de koning dat zelf doet naar gelang de omgeving waarin hij verkeren moet: daarmee kon de marechaussee het, in haar pogingen het schrijnende eigen caloriëntekort aan te vullen, ter plekke maar doen.

Omdat een en ander geheel op eigen houtje geschiedde, heeft dat, zoals U een paar weken geleden terug kon lezen, tot een strafproces geleid. Omdat justitie in dat soort zaken zeer precies is, wist de rechter zelfs liefst vijf categorieën zondaren te onderscheiden, die allemaal in aanmerking kwamen voor een andere gepaste straf. Er waren – ik citeer De Volkskrant van 5 januari jongstleden – ten eerste, als lichtste categorie, de “toekijkers”. Dat zijn degenen die niets deden, niet mededen maar ook niets verhinderden. Typische Nederlanders dus, gemodelleerd naar het archetype-Thom Karremans: je staat erbij en je kijkt ernaar. Het stond niet nadrukkelijk in je taakomschrijving om iets te doen, dus doe je ook niets, zelfs al gaat het voor je ogen mis – het lijken wel ambtenaren die over de veiligheid van het internationale luchtruim gaan en klaarblijkelijk menen dat oorlogen in pakweg Oost-Oekraïne nog altijd zonder enige consequenties hogerop in de atmosfeer uitsluitend met speren en zwaarden op de grond worden gevoerd.

Aan het andere eind van de reeks stonden de grootste zondaren, ik citeer: “beveiligers die snoep hebben weggenomen zonder te betalen.” Die hebben zich duidelijk door bank- en woningbouwdirecteuren laten inspireren. Daarvan zijn er ook ettelijke zonder te betalen met de hele snoepvoorraad naar elders vertrokken. Die zijn weliswaar ontslagen, maar mochten het gestolen snoep houden. Hoe dat bij de marechaussee naderhand opgelost is, is onbekend.

Iets minder zwaar gestraft werden zij die slechts een poging tot diefstal hadden gedaan. Die worden weliswaar niet meteen ontslagen, maar krijgen een groepsgesprek en moeten een jaar lang deelnemen aan een integriteitscursus. Ik weet overigens niet wat erger is, ontslag of dat. Cursussen en groepsgesprekken vormen een Nederlandse vorm van mentaal waterboarden die door Amnesty nog iets te makkelijk als moderne mensenrechtenschending over het hoofd wordt gezien. De middelste categorie is die van “Getuigen die van de buit hebben gesnoept”. Hen blijft de cursus bespaard, maar aan het groepsgesprek ontkomen zij niet.

Ik ben natuurlijk vooral benieuwd wie dat groepsgesprek straks leidt. Toch niet een lid van het koninklijk huis zelf? Het is, dat prins Bernhard reeds geruime tijd onder de zoden ligt, want die was als ervaringsdeskundige natuurlijk geknipt voor de rol van gespreksleider geweest. Niemand in Nederland heeft immers decennia lang meer van welke buit dan ook gesnoept dan hij. Niet alleen van de materiële geneugden des levens wist hij ruimschoots te genieten, dat gold ook – ja, daarin ben ik zelf weliswaar geen ervaringsdeskundige, dat heb ik ook maar van horen zeggen – voor het vrouwelijk schoon.

Hij zou dan ook vast geen enkel bezwaar hebben gehad tegen de Braziliaanse naaktdanseres die afgelopen jaar de prijsuitreiking van het Prins Claus Fonds kwam opluisteren, en door de Rijksvoorlichtingsdienst meteen gelast werd om een huidkleurig onderbroekje aan te trekken, opdat zij niet per abuis met haar geslacht zichtbaar in de richting van de koning en de koningin dansen zou. Kennelijk behoort sexuele voorlichting niet tot de competenties van de Rijksvoorlichtingsdienst, want anders had men niet zo frigide gereageerd.

De RVD treedt hier in de voetsporen van de preutse koning Frederrik Willem I van Pruisen, beter bekend als de Soldatenkoning, die in het begin van de achttiende eeuw eens met de puberende troonopvolger, de latere Frederik de Grote, een bezoek bracht aan de Saksische keurvorst August de Sterke, wiens libido dat van Bernhard nog verre overtrof. Volgens de overlevering heeft hij althans gedurende zijn leven met behulp van zijn maitressen in totaal 365 kinderen op de wereld gezet, en teneinde zijn hoge gasten uit Berlijn nu in zijn erotisch geluk te laten delen, trok hij bij een privé-rondleiding door zijn paleis in een kamer plots een gordijntje weg, waarachter een bevallige naakte dame op een bed op de Pruisische koning en kroonprins lag te wachten. De Soldatenkoning nam daarop meteen zijn hoed van zijn hoofd en hield die voor de ogen van zijn oudste zoon.

In Den Haag stond recent echter niet het snoepen van dames ter discussie. Mijn favoriete categorie zondaren onder de voor het gerecht gedaagde marechaussees is dan ook de laatste hier nog niet genoemde, de op een na lichtste van de vijf: die van de “Automaatschudders, die na geld te hebben ingeworpen het apparaat van de muur hebben getrokken”. Automaatschudders: kan ik het helpen dat ik meteen aan Willem Alexander denken moest? Is hij niet ook iemand die zelf regelmatig aan de Nederlandse staatsruif schudt, als betreft het een snoepautomaat – en eentje die dan steeds weer functioneert? De buikriem aanhalen blijkt er voor hem en zijn echtgenote niet bij te zijn: zodra dat onverhoopt dreigt, hoeft hij maar even aan de financiële snoepautomaat die ‘Nederlandse overheid’ heet te schudden, en de tonnen komen wel weer zijn richting op. Die snoepautomaat ook nog eens van de muur trekken blijkt in zijn geval oveigens niet nodig te zijn: die spuwt ook zonder dat voor hem wel elk gewenst snoepje uit.

Omgekeerd functioneert Willem Alexander, gelijk constitutioneel zelfs min of meer is vastgelegd, zelf óók als een soort snoepautomaat, waaraan de Nederlandse regering maar van haar kant maar hoeft te schudden, of er rolt wel op bestelling een obligaat tekstje uit, ter opening of herdenking van het een en ander. Wel blijkt er een enkele maal met de werking van het interne mechanisme van die automaat wat mis te gaan, en er vervolgens onverhoopt een onrijp halffabricaat uit de koninklijke mond te komen. In dat geval heet zoiets natuurlijk gewoon ‘een beetje dom’.

Meer dan een beetje dom was, en niet alleen met de kennis van nu, dat wat ongetwijfeld het sportieve hoogtepunt van het vorig jaar had moeten worden: het koninklijk bezoek aan de Poetinspelen, bekroond met een gezellige toast in het Holland Heineken Huis. Van de verbroedering waarvoor de Olympische Spelen heten te staan, bleek al snel weinig; amper had W.A. zijn vriendschapsbiertje op, of Moskou bezette de Krim. Het was echter ook in februari al ongezellig leeg in Sotchi; de meeste regeringsleiders uit democratische landen hadden bewust verstek laten gaan, zodat de Nederlandse koning zich kon warmen aan het gezelschap van autocraten die hun regeringsduur niet in jaren, maar in decennia plegen te tellen – net als overigens ook de Oranjes dat plrgen te doen. En niet alleen in Noordkorea heeft, op basis van de vermeende verdiensten van de eigen Vader des Vaderlands, intussen de dynastie de eeuwigheid.

Zeker: politiek als eerste verantwoordelijk voor de koninklijke uitglijder van Sotchi is Mark Rute zelf eveneens acte de presence meende te moeten geven. Maar de eigen bijdrage van W.A. aan zijn Russische toejuich-excursie moet niet worden onderschat. De koning verhoudt zich tot zijn moeder als Willem II deed tot Willem I, waarvan we dankzij een recente biografieëntrilogie nu meer weten dan ter bevordering van de door vurige Orangisten gewenste gehechtheid aan het ko­ningshuis goed kan zijn. Zowel in 2013 als in 1840 heeft een bonvivant een dossiervreter opgevolgd. De huidige koning leeft voor de sport, en heeft zonder twijfel zelf sterk op zijn aanwezigheid op de eretribune in Sotchi aangedrongen die vervolgens vooral met autocraten bleek gevuld. Of hij dat zelf principieel bezwaarlijk achtte, is daarbij weliswaar de vraag, gezien de innige koninklijke banden met de familie Zorreguita, of met de sultan van Brunei die op het punt staat dezelfde sharia in te voeren die in het geval van het IS-kalifaat zoveel afschuw oproept maar bij Arabische oliesjeiks nooit bezwaar voor de afvaardiging van een lucratieve handelsmissie heeft gevormd. Maar het was, ongeacht de eigen koninklijke voorkeuren, de specifieke taak van de Nederlandse regering geweest om het staatshoofd voor morele vlekken op het Nederlandse blazoen te vrijwaren waar deze daar zélf de antenne zo voor mist.

Daarvan afgezien hebben de Oranjes het afgelopen jaar voor hun doen tot ongebruikelijk weinig ophef aanleiding gegeven – als we van hun bouwkundige verrichtingen afzien. Beatrix werd op de vingers getikt omdat zij die te weinig ontplooide – Huis ten Bosch stond te verslonzen – terwijl haar zoon opnieuw geen gelukkige hand in onroerend goed in zonnige contreien bleek te hebben. Wat een paar jaar terug die villa in Mozambique was geworden, werd die in Griekenland nu: een infectiehaard voor gedoe omtrent illegale bouwsels die met goed natuurbeheer in strijd waren, en daarnaast was er natuurlijk ook nog dat prijzige veiligheidshek.

Maar nu alle koninklijke koters – althans voor het moment – onder de huwelijkspannen zijn, en zich, anders dan hun voorvaderen, voorlopig verbazingwekkend netjes aan de burgerlijke huwelijksmoraal blijken te houden, is er op dat front even rust. In Buckingham Palace wordt men daarentegen steeds nerveuzer over de escapades van prins Andrew, die zijn bijnaam van ‘randy Andy’ weer eens eer blijkt aan te doen. Mogelijk geïnspireerd door de bunga-bunga-feestjes van Berlusconi, koos hij ook voor zijn geneugt voor de nog niet zo rijpe jeugd. En in Spanje is de nieuwe monarch het afgelopen jaar niet bepaald onder een gunstig gesternte begonnen, met een zus en zwager die als corruptieverdachte voor de rechtbank verschijnen moeten.

En dan is er België, met die andere Filip, die door zijn eigen vader met een onhandig tv-interview werd geschoffeerd. Maar het meest verrassende was vermoedelijk wel het overlijden van koningin Fabiola, althans het feit dat de Nederlandse tv ook deze uitvaart nu integraal ging uitzenden. Zijn er te weinig koninklijke begrafenissen in Nederland, dat men nu naar de Belgische uitwijken moet? Of is dit een voorbereiding op een annexatie van Ne­derland door Brussel, een herstel van de eenheid van de Nederlanden vanaf de andere kant, tweehonderdjaar nadat het Verenigd Koninkrijk werd opgericht? Aangezien de Oranjes in België nadrukkelijk grondwettelijk zijn uitgesloten van het bestijgen van de troon, zou dit wel eens de enige weg kunnen zijn om ons van de Oranjes te verlossen. En als dan vervolgens net even later, wat toch al op het punt staat te gebeuren, België weer uit elkaar valt, zijn we ook van de Saksen-Coburg-Gotha’s af.

Het zou sowieso interessant zijn, om te zien of bij de herdenking van de gevolgen van het Congres van Wenen voor Nederland meer recht aan de geschiedenis zal worden gedaan dan op het eind van 2013. Toen stond ’tweehonderd jaar Nederlandse monarchie’ op het officiële programma, terwijl de monarchie hier te lande natuurlijk feitelijk dateert van 1806. Maar de betekenis van Lodewijk Napoleon en Napoleon voor de nationale geschiedenis wordt vanouds onder het tapijt geveegd, ofschoon de belangrijkste paleizen – Noordeinde, Soestdijk, Het Loo, het voormalige Stadhuis van Amsterdam – juist zeer sterk het stempel van het Empire dragen; een blik op de meubelen in het laatste gebouw volstaat. Juliana schijnt indertijd tamelijk hysterisch gereageerd te hebben, als iemand dat ter sprake bracht – net als Willem I wist ze maar al te goed, waaraan de Oranjes een en ander te danken hadden. Dat in 1813 de eerste Nederlandse dynastie der Bonapartes voor de tweede Nederlandse dynastie der Oranjes plaats maakte, is vanuit staatkundig oogpunt echter secundair. De Engelsen laten hun monarchie ook niet met het aantreden van het huis Hannover beginnen.

Belangrijker: Willem I heeft indertijd stilzwijgend een groot deel van de erfenis van de Bataafse Omwenteling – gelijkheid voor de wet, vrijheid van godsdienst, de eenheidsstaat, bestuur via ministeries etc. – aanvaard, aangevuld met de despotie van zijn directe voorgangers; in de woorden van zijn tijdgenoten legde hij zich te ruste in ‘het bed van Napoleon’. Stilzwijgend – er is ook nadien lang niet over gesproken. De hele Bataafs-Franse periode, en wat iedereen daaraan te danken had dan wel iedereen daarbinnen persoonlijk had uitgespookt, werd in de decennia na 1815 doodgezwegen. Vergeven en vergeten was het motto, dat Willem I omhelsde – en hij had daar ook zelf alle reden toe, aangezien hij zonder veel gewetensbezwaren had meegegeten uit Napoleons ruif. Zijn schaamteloze eetzucht choqueerde zelfs zijn vader, voormalig stadhouder Willem V, maar bleek, na een foute politieke inschatting in 1806 allemaal voor niets: door zich plotseling niet meer naar Napoleon te voegen, raakte hij tijdelijk weer alles kwijt. Dat leverde juweeltjes van onderdanige brieven op – in hoge nood weten ook Oranjes te buigen – die U in extenso geciteerd kunt vinden in de biografie van Jeroen Koch, die samen met die van Willem II en Willem III ruim een jaar geleden Willem Alexander in handen is gedrukt. Een vergiftigd geschenk, zo heb ik dat indertijd in mijn recensie in De Republikein betiteld, omdat zij voor overtuigde monarchisten toch bijzonder weinig aanknopingspunten ter verheerlijking van het koningschap bieden.

Bij de officiële herdenkingsplechtigheid in november 2013 bleef dat allemaal buiten beschouwing, zoals eveneens bij veel andere staatkundige zaken min of meer stilzwijgend werd gedaan, alsof die pas toen waren uitgevonden. Ook in dat opzicht bestaan er in Nederland overigens precedenten. In 1998 was het niet alleen honderdvijftig jaar geleden dat Thorbecke zijn fameuze grondwet in elkaar knutselde, maar toevallig ook tweehonderd jaar geleden dat de allereerste Nederlandse grondwet tot stand kwam, die veel democratischer was: zij bevatte al algemeen mannenkiesrecht – dat kregen we met die van Thorbecke pas weer terug in 1917.

Het schijnt dat er toen, in 1998, vanuit Huis ten Bosch enige aandrang op kabinet en parlement is uitgeoefend om vooral veel aandacht aan die van 1848 en weinig aan die van 1798 te besteden, omdat in de eerste wel, en in de tweede niet een rol voor de Oranjes was weggelegd. Uiteraard is, de Nederlandse politieke cultuur kennende, aan dat verzoek voldaan – op dit soort momenten gedraagt zich niet alleen de Senaat, maar de hele volksvertegenwoordiging als een Ménagerie du Roi. Begin deze eeuw werd die eerste constitutie van 1798 voor het eerst in druk uitgegeven, en bij de presentatie was Tjeenk Willink gevraagd een praatje te houden. Hij prees het werkstuk van de Bataven als de beste en meest logische grondwet die Nederland ooit had gehad – voor een jurist was die, zo zei hij vrijwel letterlijk, een genot om te lezen. Waarom dat zo was, vermeldde hij evenwel helaas niet – uiteraard omdat er, anders dan in het geval van Thorbecke, geen plaatsje voor de Oranjes ingewrongen hoefde te worden.

1815 was voor republikeinen zeker geen gloriejaar: als gevolg van de ontsporing van de Franse Revolutie en het imperialisme van Napoleon streefden de regeringen naar politieke rust, en dat betekende herstel van de monarchale orde. Ook al kon de Restauratie geen complete restauratie zijn – 1789 was gebeurd, en al werd er niet over gesproken, dat gegeven bleef de hele negentiende eeuw door de grote olifant die in de kamer stond – de republiek was als ideaal voorlopig besmet geraakt. De enige republiek die, tot in 1848 even – en in 1871 definitief – de Franse burgers weer het heft in eigen handen namen, in heel Europa bestond, was de Zwitserse. De Nederlandse was verdwenen, en dat gold ook voor Genua en Venetië, alsmede de vele vrije rijkssteden in het Heilige Roomse Rijk – een soort stasdstaatjes naar klassiek Helleens model. Geen voorbeeldige democratieën, dat moet wel benadrukt worden, eerder corrupte oligarchieën, maar men had er in elk geval geen last van overmatige eerbied voor vorstelijk gezag.

Nu aan het begin van 2015 vooruitkijkend, zullen we tegelijk verder terugkijken dan naar 1815, want naar 1215. Dit jaar, om precies te zijn op 15 juni, is het namelijk achthonderd jaar geleden dat de Engelse koning Jan zonder Land – zijn bijnaam is veelzeggend – de Magna Charta ondertekende, waarmee voor het eerst in de Europese geschiedenis de koninklijke macht principieel op papier werd ingeperkt. Hier begint een geleidelijke ontwikkeling die veel later, met de Glorious Revolution van 1688 als belangrijk kantelmoment, in het parlementaire systeem zou uitmonden. Met alle nadelen overigens die juist het geleidelijke karakter van deze ontwikkeling met zich meebracht, want de relatief weinig schoksgewijze evolutie van Engeland heeft ertoe geleid dat er daar nooit een moment is geweest waarop men, zoals daarentegen in Frankrijk juist herhaaldelijk het geval was, fundamenteel over de inrichting van de staat heeft nagedacht en deze op heldere eigentijdse filosofische uitgangspunten heeft gestoeld.

Door ook nog eens Napoleon te missen – maar iemand moest de despoot natuurlijk wel verslaan – ontkwam het Engelse staatkundige bestel aan de logica, en de daarmee zuiverende werking van de Verlichting en de Franse Revolutie, zodat dit nog met tal van atavismen zit opgescheept, om te beginnen de monarchie. Het is de wet van de remmende voorsprong: er is, anders dan elders, nooit een urgente reden geweest om bepaalde middeleeuwse rudimenten radicaal af te schaffen. Daarmee is Engeland staatkundig in feite het achterlijkste land van de Europese Unie geworden, met niet alleen een monarch, maar ook een staatskerk en een Hogerhuis waarin edellieden en prelaten op basis van afkomst en functie qualitate qua zitting hebben, alsof het in 1806 opgeheven Heilige Roomse Rijk in iets andere vorm op de Britse eilanden nog even is blijven voortbestaan.

Dat is de paradox, waartegen ook republikeinen aanlopen. Monarchisten bepleiten de monarchie altijd onder verwijzing naar die laatste paar koninkrijken in het noordwesten van Europa: Groot-Brittannië (hoe lang nog ‘Groot-‘?), Nederland, België, Luxemburg, Noorwegen, Zweden en Denemarken. De sinds de opkomst van de massademocratie in de negentiende eeuw politiek meest stabiele landen heet het, en die stabiliteit zou dan te danken zijn aan de monarchie. Ik denk dat het precies omgekeerd is: juist omdat zij zo stabiel zijn, kon de monarchie blijven voortbestaan, omdat er onvoldoende aanleiding was deze af te schaffen. Daar zal ook, vrees ik, het NRG weinig aan kunnen veranderen, tenzij Willem Alexander de komende jaren niet slechts een beetje dom, maar heel erg dom blijkt te zijn.

Thomas von der Dunk,
15 januari 2015

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.